Terug naar hoofdinhoud

1882 Wandelingen door Limburg - J. Craandijk

  • Afbeeldingen | Bron ©: J. Craandijk, P.A. Schipperus 1882 / omslag boek uitgeverij De Lijster 1981

De doopsgezinde predikant Jacobus Craandijk (1834-1912) had een grote belangstelling voor de historische en landschappelijke schoonheid van ons land. Hij werd als schrijver beroemd door zijn boekenserie "Wandelingen" met als ondertitel "door Nederland met pen en potlood" waarvoor tot op de dag van vandaag grote belangstelling bestaat. De illustraties zijn gemaakt naar lithografieën van P.A. Schipperus.

In deel 6 "Wandelingen door Limburg" maakt hij ook kennis met Elsloo en omgeving anno 1882. Het is aandoenlijk om te lezen hoe stil, nederig en eenvoudig Limburg zo'n 150 jaar geleden nog was.

U kunt de pagina's over Elsloo, Stein, Beek, Geverik en Waterval hieronder lezen, in het oud-Nederlands van die tijd.

Omwille van de leesbaarheid hebben wij alinea's gebruikt; in het origineel boek zijn die niet aanwezig.

+ Download het hele boek "Wandelingen door Limburg" ⇢

Koop heruitgaven op boekwinkeltjes.nl ⇢

Wikipedia over J. Craandijk ⇢


Steijn, Elsloo, Beek

Wie wat zien wil op een' togt als dezen, moet zoo weinig mogelijk tijd verliezen. Daarom hadden wij de duisternis van den avond gebruikt tot den spoorrid naar Beek, om 's morgens vroeg tot een nieuwe wandeling gereed te zijn. Vooraf hadden wij ons vergewist, dat te Beek logies was te vinden, want daarop valt niet in alle Limburgsche dorpen te rekenen.

Al ontbreken ook ten noorden van Beek de heuvels niet geheel, dáár begint toch eerst het eigenlijke bergachtige gedeelte der provincie, en al heeft de landstreek, die wij door sporen, ook ontegenzeggelijk haar belangrijkheid, zoowel door de historische herinneringen, er aan verbonden, als door de gebouwen, er in welstand of in ruïne te vinden, 't wordt tijd, dat wij ons opmaken tot het doorkruisen van andere landschappen, dan waardoor op de beide vorige dagen ons pad ons leidde.

Onze morgenwandeling naar Steijn en Elsloo geeft ons dan ook weêr iets nieuws te zien en brengt ons in een paar zeer eigenaardige en hoogst schilderachtige dorpen, wier omstreken aan natuurschoon rijk zijn. Aanvankelijk is 't een vriendelijke weg, door knoestige peppels, wilgen en eiken omzoomd, langs golvend bouwland, waar blaauwe klokjes op de steile kanten groeijen en alom de drukte van den oogsttijd heerscht. Soms liggen de akkers reeds zóó hoog, dat wij wandelen in holle wegen, in wier ruig bewassen zijden de populierstammen halverwege beneden de eerste takken zijn verborgen.

In een heerlijk opgaand zijpad straalt de morgenzon onder een' groenen boog van weelderig gebladert. De grijsgeele mergelgrond tintelt van licht, door koele schaduwpartijen afgewisseld en een kudde schapen, afdalend door het ravijn, komt juist ter regter tijd, om nieuwe bekoorlijkheden te geven aan dit uitnemend fraaije landschapje. Wordt straks de weg meer open, wanneer hij op de hoogvlakte is gestegen, ruime vergezigten over uitgestrekte bouwvelden en in vruchtbare dalen vergoeden ons 't gemis van het lommer. Ook ontbreekt het niet aan 't verkwikkend groen, waartegen het goud van het korenveld afsteekt en het witte huisje krachtig uitkomt.

Spoedig komen wij ook weêr in het hout. Tusschen breede greppels en randen van kort, maar frisch en geurig gras, waarop een paar omgehouwen boomstammen blinken als brons en paarlemoer, aan weerskanten ingesloten door hooggelegen akkers, loopt de grintweg op een digte en donkere boschpartij aan. Een oud moedertje leidt er langzaam haar kleine, magere, roodbonte ossen, met een van teenen gevlochten muilkorf om den bek, van het bouwland naar den stal. De geduldige dieren bragten den wagen naar den akker en terwijl deze wordt opgeladen, gaan zij een tweede voertuig halen. Of men ‘den dorschenden os zou muilbanden’, als hij hier voor dat werk werd gebruikt, is ons onbekend, maar de trekos is buiten de gelegenheid gesteld, om zijn deel te nemen van het gemaaide koren, wat hem anders, naar zijn uiterlijk te oordeelen, niet onwelkom zou zijn. Het drinken echter wordt hem niet ontzegd.

Bij den waterpoel aan den voet van den hoogen wal, door wild opgroeijend struikgewas overwelfd, waar sparren en iepen een koele schaduw spreiden over den weg, laat de vrouw haar beestjes zich verkwikken. Tegen het bosch ligt een huisje met witte muren en rood pannen dak, half in het groen verscholen. Op den akker daarginds gaat de zaaijer heen en weêr, gevolgd door het sterke paard, dat de egge over de voren trekt. Een herder drijft zijn wollig leger naar het stoppelland en langs de golvende heuvels, daar tusschen het hout. En over heel het liefelijk tafereeltje werpt de zon haar' warmen, opwekkenden gloed.

Als de bogt van den weg het aan ons oog onttrekt, naderen wij spoedig de eerste huizen van Steijn, eerst op eenigen afstand van elkander gelegen, weldra meer nevens en tegenover elkander langs den weg geschaard. En welke huizen! Twee hoofdtypen laten zich onderscheiden: kleine woningen, meest van ééne verdieping, met een paar ramen aan de straat, en boerenhofsteden, met binnenplein en daaromheen gebouwde schuren. Maar wat oneindige verscheidenheid, wat voortdurende afwisseling! De weg klimt aanhoudend, al is 't ook niet sterk. De mergelsteen van de rots komt overal te voorschijn, onder de muren, tusschen de huizen, of uit den mantel van mos en wilde struiken, die de milde, onbedwongen natuur er over geplooid heeft. Wat weelderigheid van lijnen, wat rijkdom van kleuren en schakeringen in dit zonderling dorp!

Hier een reeks van hoeven, met de schuren van leem en vlechtwerk en verweerde mergelblokken rondom de mestvaalt, waar 't wemelt van kippen en varkens. Daar armoedige stulpen, met half ingezakte daken en deuren, waarheen een ruwe trap van opgestapelde steenen leidt. Ginds wat knapper geveltjes, waar het lakmoes den boventoon voert. Straks een flinke pachthof, met sterke, steenen poort, maar verweloos en verwaarloosd als de rest. Elders wonderlijke getimmerten van latten en planken, met mos begroeid en met spichtig gras op het schuine dak.

Wat mengeling van wit en geel, van grijs en bruin, van groen en zwart, van blaauw en rood, in alle denkbare nuances. Wat bogtige bemoste rieten daken, wat hellende muren, wat scheve vensters. Wat verwarring van blaauw gekielde boeren, bonte runderen, zwaar getuigde paarden, bloeijende vlierstruiken, sierlijk neerhangende wingerdranken, verwilderde hagen, krachtige esschen, oogstwagens en landbouwwerktuigen, kinderen en huisdieren. Wat overvloed van geestige binnenpleintjes, scherp door het invallend zonlicht verlicht. Wat donkere zijwegen, onder het digte loofgewelf afdalend van de hoogte. Wat blinkende en stralende waterpoelen, waar het vee zijn' dorst komt lesschen.

Zeker, wat wij netheid noemen, is schaarsch in Steijn te vinden! Als er welvaart is, dan wordt dat aan de gansche lange dorpsstraat althans niet openbaar. Bij de gedachte, om hier in een van die huizen te wonen, zelfs om in den zomer hier eenigen tijd te vertoeven, zouden wij huiveren. Maar schilderachtig in hooge mate is het wonderlijke dorp. Bij elken voetstap vinden wij een tafereeltje, dat den kunstenaar in verzoeking zou brengen, om er zijn' ezel te plaatsen, of althans zijn schetsboek open te slaan, verrukt over de lijnen en kleuren, die zijn oog hier treffen, waar ieder hoekje een schilderij is en iedere schrede weêr een verrassing bereidt.

 

Wij doorwandelen intusschen vooreerst het dorp nog niet in zijn geheele lengte. Een der diep ingesneden ravijnen brengt ons, in schaduw van hoog geboomte, naar een' weg aan den voet van den berg, waar temidden van een' fraaijen lusthof de trotsche bouwval van den ouden burgt zich verheft. Reeds veel vroeger hadden wij dien weg kunnen inslaan, maar tot ons geluk deden wij het niet. Wij zouden dan een goed deel van het dorp hebben gemist.

De hooge Heeren van Steijn zagen van de hoofdplaats van hun gebied niet veel, gelijk wij er van beneden niets van bespeuren. Daar ginds op de hoogte lag zij verborgen. Steile hellingen, met dennen begroeid, rijzen hier op nevens den breeden rijweg. Het water uit een' grooten, tamelijk hoog gelegen vijver drijft het rad van een' ouden molen en vormt dan een snelvlietend beekje, dat lustig voortstroomt door de groene weiden daar ginds, waar het vee onder hooge boomen graast.

1882 Craandijk Elsloo Steijn

  't Is hier een gansch ander landschap, dan daar boven op den berg! Hier is 't gebied der aristocratie, daar huist de daglooner en de boer. Hier spreekt alles van rijkdom, gelijk daar de harde arbeid voor het dagelijksch brood aller krachten in beslag neemt. Hier is alles zorgvuldig onderhouden; hier is alles, wat tot het heerenhuis behoort, ook van de buitenwereld afgezonderd. Het schoone plantsoen is deels door stevig rasterwerk, deels door een' steenen muur omringd en een oude, sterke poort, met gracht en brug, die het wapenschild der Merodes draagt, is de eenige toegang.

Den belangstellenden bezoeker blijft die poort intusschen niet gesloten, te minder, wanneer - zooals nu - de eigenaar der lustplaats met zijn gezin afwezig is. Het witte poortgebouw zelf heeft iets opmerkelijks, minder door zijn' bouwstijl en den lagen, dikken toren, die er bij behoort, al vormt een en ander een' niet onaardig geheel, als wel door de bijzonderheid, dat dit gedeelte van den burgt - van ouds als de middelste of ‘witte’ poort bekend - een leen was van Valkenburg, terwijl de burgt en de vrije rijksheerlijkheid van Steijn overigens in geenen deele aan de leenzaal aldaar onderhoorig was, maar aan de graven van Loon en later aan het bisdom Luik.

Binnen de poort ligt de voormalige voorburgt, thans met heesters en opgaand hout, met bloemen en grasperken versierd. De oude grachten zijn tot fraaije vijvers vergraven en een aanzienlijk heerenhuis, een veertig jaren geleden gebouwd, prijkt aan een der zijden van het ruime plein. Dit alles is in nieuwen stijl en smaak. Is hier van de vroegere slotgebouwen nog iets over, dan is 't alleen verborgen muurwerk in den grond. Maar op een' begroeiden heuvel rijst nog de sterke ronde hoofdtoren van den burgt, met klimop digt omkranst, omhoog. Aan den voet der hoogte is de slotpoort van mergelsteen nog over, door een' ten deele vervallen halfronden muur aan een' ronden toren van kleinen baksteen verbonden. Het overige is grootendeels in puin gestort en onkenbaar geworden, of met struiken en woekerplanten bedekt.

Eenige steenen kogels, die hier liggen, zijn de getuigen uit een' tijd, toen zulke vaste burgten tegen het onbeholpen geschut nog genoegzaam bestand waren. Beklimmen wij de ruïne zelve, dan vinden wij ook hier een rondeel, dat de eene zijde van het binnenplein insloot, terwijl de andere zijde was ingenomen door het gansch verdwenen woonhuis, waarvan enkel de uitgestrekte kelders nog over zijn. De ingang van den grooten toren is ongeveer ter halve hoogte van het hechte gevaarte en thans alleen te bereiken langs een' ijzeren, van buiten aangebragten trap. De muur van gehouwen steen is bij de deur 3 M. dik en heeft, in de vensternissen gemeten, een dikte van 2½ M. In dien muur loopt een gemetselde trap naar het plat, waarboven vroeger een hooge spits zich verhief.

Eenig roestig ijzerwerk van de windvaan ligt er nog op, en ruim en heerlijk is er het uitzigt. Behalve een ijzeren vuurplaat in een der torenkamers, die het wapenschild van Luxemburg vertoont en daardoor uit het einde der 17de eeuw afkomstig blijkt, treffen wij geen overblijfsels van huisraad of wapentuig aan, terwijl wij ronddwalen tusschen het puin of de talrijke kelders doorkruisen. Maar in den toren bij de poort wijst men ons, als wij een' steenen trap zijn afgedaald, een zware, gegrendelde deur. Daar achter ligt de donkere, thans voor altijd gesloten gevangenis, waar, zooals men elkander in den omtrek verhaalt, de zoon van een' der Heeren van Steijn zeven jaren was opgesloten, met de schuld van vadermoord op het geweten. Misschien ligt het voorval, dat de grondslag dezer overlevering kan zijn geweest, niet zóó ver achter ons, als wij bij een dergelijk verhaal wel zouden vermoeden.

Den 15den Nov. 1740 waren droevige en schandelijke dingen op den burgt geschied. Terwijl de hooge baron Maurits Willem van Kinsky met zijn gezin en zijn gasten aan tafel zat, had zijn oudste zoon Maurits met bittere verwijten en gruwelijke verwenschingen zijn' vader aangevallen. Op den degen had hij hem geëischt en buiten de eetzaal had hij zelfs zijn rapier tegen hem getrokken, terwijl hij hem met vloeken en lasteringen overlaadde. In den kerker van het slot had echter de woesteling zijn misdaad niet geboet, maar sedert had hij het huis verlaten en als een vagebond had hij met een Joodsche deerne omgezworven, ja zelfs, zooals 't gerucht liep, had hij het Joodsche geloof aangenomen. Bij testament werd deze jonker, die zoozeer zijn geslacht onteerde, door den beleedigden en vergramden vader onterfd.

De baronnen van Kinsky bezaten evenwel de rijksheerlijkheid Steijn niet alleen. Door vererving en verkoop was de baronie sinds lang in handen van zeer verschillende geslachten. Reeds van ouds schijnt zij tweeheerig te zijn geweest. De eerste bezitters, niet onwaarschijnlijk uit de graven van Heinsberg gesproten, hielden de heerlijkheid als een Loonsch leen. Een hunner, Arnold van Steijn, verdreef de kinderen van zijn' broeder Daniël wederregtelijk met geweld uit het slot, maar werd zelf door den leenheer, den bisschop van Luik, van zijn regten ontzet. In 't begin der 15de eeuw was een deel der heerlijkheid in 't bezit der Heeren van de Merwede, later van de graven van Loon-Heinsberg, en door huwelijk van gravin Maria kwam zij aan Jan van Nassau, Heer van Breda, terwijl ook Willem van Brederode, als gehuwd met een dochter der Merwede's, er regten had gehad.

De graaf van Nassau verkocht in 1464 de baronie aan Dirk van Bronkhorst. Sedert bleef zij aan verschillende familiën, die door afkomst of huwelijk met dit edel geslacht waren verbonden. Donkere en droevige dagen kwamen. Herman van Bronkhorst, in 1541 met Steijn beleend en in 1556 overleden, had vier zonen: Willem, Karel, Dirk en Gijsbert. De beide jongsten stierven den 1sten Junij 1568 te Brussel op het schavot; de oudste, Heer van Steijn en Batenburg, betaalde de mislukte poging om 't benarde Haarlem te ontzetten, in Julij 1573 met zijn leven. De laatste der broeders werd in 1580 te Keulen vermoord.

Toen kwam Steijn aan Karels eenigen zoon Maximiliaan, die zich met den koning van Spanje verzoende en de verbeurd verklaarde heerlijkheid terug ontving, maar de zoon zijns zwagers, Boudewijn van Luxemburg, verdreef hem in 1602 van zijn slot. Na zijn' dood ontstonden er zware processen tusschen de Merodes en de Luxemburgs, waarvan de eersten hun aanspraken grondden op hun regten, door het huwelijk van Maximiliaans dochter met Floris de Merode verkregen. Zoo vinden wij Steijn na 1677 van tijd tot tijd bewoond door Joachim Ernst, hertog van Brunswijk, als echtgenoot eener gravin van Merode. In 1689 werd de baron van Kinsky, als echtgenoot van de erfdochter der Luxemburgs, met Steijn beleend.

De beide wapens, die wij in den gevel der poort en in de torenkamer vonden, herinneren aan het gemeenschappelijk, maar daarom nog niet vriendschappelijk bezit der beide strijdende familiën. In den loop der vorige eeuw kwam een zesde deel der baronie in handen van den baron van der Marck, aan wien een der van Kinsky's, ter betaling zijner schulden, zijn aandeel had verkocht. Maar ook deze nieuwe mede-eigenaar, die geruimen tijd het kasteel bewoonde, stak diep in schulden, en na velerlei pogingen om zijn verwarde zaken te herstellen, trok hij naar Amerika, terwijl zijn gemalin, een gravin d'Aspremont-Lijnden, in het klooster ging. Na een veelbewogen en avontuurlijk leven keerde hij naar Steijn terug en stierf in 1797 te Maastricht, na zijn regten op de heerlijkheid aan de gravinne van Holberg te hebben verkocht. De Fransche overheersching hief de heerlijke regten der rijksbaronie op. De goederen gingen in andere handen over. Het kasteel viel in puin.

Thans vinden wij er een aanzienlijk buitengoed en een' indrukwekkenden bouwval. En zijn niet alle herinneringen aan wat hier is geschied, van verheffenden aard, wie zich het onderzoek van de zeden onzer voorgeslachten ten taak stelt, kan aan de geschiedenis der Heeren van Steijn meer dan één belangrijk tafereel ontleenen. Van de regten der vrije rijksheerlijkheid en van de verwikkelingen door het gemeenschappelijk bezit kon een belangwekkende studie worden gemaakt. De namen van een viertal broeders, in den grooten strijd onzes volks betrokken, zijn aan dezen burgt verbonden. De Geuzen hadden er in 1668 hun wapenplaats en edelen van allerlei rang en landaard - avontuurlijke Heeren soms - hebben er gewoond. En wie zich vermeijen wil in de schildering van vorstelijke pracht en militairen luister, die vindt een dankbaar onderwerp in 't bezoek, dat Lodewijk XV in 1746 bragt op het hooge huis, waar hij de gast was van den kranken, nog steeds om het wangedrag zijns zoons verbitterden baron, waar ook de prins-bisschop van Luik, Johan Theodoor van Beijeren, den koning bezocht, en waar een luisterrijke wapenschouwing over de Fransche legers werd gehouden.

Langs den grooten vijver voor het kasteel stijgen wij naar de hooggelegen kerk, wier koor en toren, van mergelsteen gebouwd, de teekenen van vrij hoogen ouderdom dragen. De met linden beplante heuvel, waarop het eenvoudige bedehuis staat, daalt hier steil naar beneden, naar het vlakke, groene veld aan den Maasoever. Eiken en esschen langs de helling en aan den voet overschaduwen enkele huisjes van het dorp, maar de overgroote meerderheid der woningen ligt op den berg, en nemen wij van de kerk den terugtogt weêr aan, dan leidt ons de kronkelende weg bij voortduring langs tal van huizen en hoeven, gelijk aan die wij reeds zagen, maar toch over 't algemeen beter onderhouden, naarmate zij digter bij de kerk staan. Vrij wat straten komen wij door, vrij wat zijstraten laten wij liggen, eer wij terugkomen aan den diepen hollen weg, dien wij straks insloegen, om het kasteel te zoeken. Wij dalen er weêr in af, den rijweg langs den voet der hoogte steken wij over, den fraaijen slottuin met zijn waterwerken en zijn sierlijk geboomte houden wij aan onze regterhand en weldra beklimmen wij het plateau, waar wij in het lommer van eenige eerwaardige iepen en in 't genot van een frissche koelte ons verkwikken met het heerlijk uitzigt, dat zich over het bloeijend Maasdal vóór ons, over de golvende, vruchtbare hoogvlakte nevens ons, over de verre boschrijke valleijen achter ons opent.

De statige rivier aan den voet van den steilen berg vormt hier de grens van ons land. Aan de overzijde is het Belgisch grondgebied. Hoogten zien wij daar niet, maar bouwakkers en weiden, met boschjes en kerktorens en de veerhuizen aan den oever, die over Steijn en Elsloo de gemeenschap met Nederland onderhouden. Boven het bosch aan deze zijde rijst de slottoren van Steijn nog als van ouds omhoog, als de wachter die den omtrek overziet, en aan den anderen kant der bogt, door de Maas gevormd, springt het geboomte van Elsloo met het kerktorentje vooruit, als een voorpost, die den stroom bewaakt.

Wij kunnen hier langs het diepe karspoor afdalen naar den weg tusschen de rivier en den steilen, loodregt afgegraven bergwand, maar wij rekenen op trotscher en schooner vergezigten, als wij op de hoogte blijven en wij vinden hier dan ook inderdaad een prachtig landschap, terwijl wij den zoom van het plateau volgen. Niet al te digt aan den kant! Het houweel der grintgravers brak de wanden af, tot zij als regte muren naar beneden liepen. Een brok kan loslaten en gij stort hulpeloos in de diepte, of de voet kan uitglijden over het korte, dorre, gladde gras en een val zou noodlottig zijn.
Laat u niet misleiden door het voorbeeld der weidende schapen, die zorgeloos langs den rand der steilte het schrale voedsel zoeken, of der dartele lammeren, die, ligt en vlug als zij zijn, zonder gevaar hun halsbrekende sprongen wagen. Gij kunt daarom toch wel den fieren stroom daar beneden den voet der rotsen zien bespoelen en het donkere bosch van Elsloo zich krachtig zien afteekenen tegen de geele hellingen van den helder verlichten bergwand op den voorgrond.

De landstreek herinnert ons aan den Veluwezoom, waar, evenals hier, de rivier zich slingert langs de heuvels, van waar het oog de vlakke, vruchtbare bouwvelden en weiden aan den anderen oever overziet, maar de aard van den grond in beide schoone gedeelten onzes vaderlands verschilt genoeg, om hun in lijnen en kleuren een zóó eigenaardig karakter te geven, dat niemand, die zoowel de Veluwsche hoogte als deze Limburgsche Maasoevers zag, hen in zijn herinnering zal verwarren, noch ooit zal meenen, dat het een wel onbezocht kan blijven, omdat het andere hem bekend is. Niet velen intusschen kunnen die vergelijking maken. Tegenover de duizenden, jaar op jaar door de gemakkelijke reisgelegenheid en den welverdienden roem van Arnhems omstreken naar den Gelderschen lusthof gelokt, dwaalt maar een enkel vreemdeling naar dezen uithoek af, om zijn' zwerflust beloond te zien door de ondervinding, dat het goede land zijner inwoning nog vrij wat meer schoons en indrukwekkends heeft aantewijzen, dan de groote menigte, die des zomers uitzwermt, wel weet en vermoedt.

Om in het dorp Elsloo te komen, moeten wij dalen. Een smal voetpad in een diep, wild ravijn, met allerlei struiken begroeid, brengt ons langs stukjes bouwland en kampjes wei, langs stille waterpoeltjes en geele rotskanten te midden der verward dooreengeworpen huizenmassa, die het dorp uitmaakt. Een deel van Elsloo is gebouwd op den vlakken top der rots. Daar vinden wij de nieuwe kerk, met haar' nuffigen toren, wiens vier kleine hoektorentjes zijn versierd met ronde bollen, waarvoor de bouwmeester zeer vernuftig lampenballons schijnt gekozen te hebben. Daar vinden wij ook nog een hoog en stevig brokstuk der oude kerk, van mergelsteen gebouwd. Daar vinden wij de school en een aantal woningen van allerlei vorm en kleur en een menigte open plekken, werven, tuinen, straatjes en wegen. Aan de eene zijde loopt de rotswand steil naar beneden, en zijn wij afgedaald in den diepen, hollen weg, dan zien wij tamelijk hoog boven ons de huizen, aan de steilte hangend of op den rand der rots opgetrokken, en aan de overzijde der zonderlinge straat groote en kleine, grijze en geele huizen, met groene luiken, roode daken, hooge ruwe steenen trappen, tegen de helling van den berg.
't Ziet er hier weêr gansch anders uit, dan in Steijn, maar ook hier vormen de afwisselende lijnen en de rijke kleurschakeringen een hoogst schilderachtig geheel, verlevendigd door de kinders, die er spelen en de vrouwtjes, die er bij een bron in de diepte hun wateremmers komen vullen. 

Als een dartel sprankje, straks tot een vrolijk beekje gewassen, stroomt het bronwater langs den hoogen muur, die den slottuin afsluit. Niet als de fiere burgttoren van Steijn, overziet het kasteel van Elsloo van een' hoogen heuvel den omtrek. 't Is gebouwd in de vlakte, aan den voet der welig begroeide bergen. Zijn witte muren steken niet onaardig af tegen het groen, dat daarachter de hellingen bedekt en tegen het groote grasperk, dat zich voor het huis uitbreidt, maar het kan in belangrijkheid en schoonheid bij de naburige slotruïne niet halen. Als een vrij groot, maar gewoon huis, met een hoog dak tusschen twee trapgevels, vertoont het niet veel, dat aan den luister van een' overouden ridderburgt herinnert. 't Is trouwens ook geen overblijfsel van het voormalig kasteel der Heeren van Elsloo, wier naam reeds in den aanvang der 13de eeuw met eere wordt genoemd onder de edelen, die ter kruisvaart togen. Hun sterke burgt, die van Brabant in leen werd gehouden, met uitzondering van den aan Valkenburg leenroerigen voorburgt, is door de wateren der Maas verwoest. Thans vloeit de stroom op eenigen afstand van het park en van de huizen aan den voet der hoogte tusschen zijn bruine, scherp afgespoelde zoomen. Vreedzaam en rustig is het landschap aan zijn' oever. 

Onder het lommer der kastanjes speelt het heldere beekje, dat zich ginds door de groene weiden kronkelt. Vriendelijk komt het brugje met zijn houten leuningen uit onder het groen van eiken, acacia's, wilgen en struikgewas. De poelen en plassen, half met gevelde boomstammen gevuld, sluimeren in de koele schaduw, terwijl het zonlicht helder blinkt op het voetpad tusschen hagen en tuinen, op de roode daken in 't geboomte en op het witte veerhuis aan den overkant der rivier. 
Ook het oude vrouwtje in haar kleurig gewaad draagt het hare bij tot de kalmte, die dit liefelijk landschap ademt. Maar 's winters golft hier de wilde stroom. Menig huis heeft hij reeds onder
mijnd en doen instorten, en gelijk hij den burgt allengs heeft neêrgeworpen, zoo had hij reeds vóór het jaar 1459 de oude kerk, die bij het kasteel stond, ‘weggedreven’. In dat jaar werd een nieuwe kerk met een' kloeken toren op de hoogte gebouwd. De vrijheer van Merode, wiens slot en heerlijkheid Steijn door hetzelfde gevaar werd bedreigd, had dan ook - met toestemming van den toenmaligen baron van Elsloo, wien het regtsgebied over de Maas met de aanwassen hier behoorde - in 1649 zijn grondgebied door het verzwaren van een' dijk trachten te beveiligen.

Reeds lang vóór dat het slot der Heeren van Elsloo zich spiegelde in de wateren der rivier, moet hier een gebouw hebben geprijkt van geen' minderen rang dan een koninklijk paleis. Althans voor Elsloo houden de geleerden 't Aslao, waar koning Lotharius in 860 vertoefde en de Elidione villa, waar Karel de kale in 876 een diploma uitvaardigde. Weinig jaren later, in 883, verscheen Karel de dikke weêr voor de muren, maar thans om zijn onderdanen te bevrijden van nog geduchter vijanden dan de opgeruide golven der Maas. De gevreesde Noormannen hadden zich sedert 881 in ‘Haslon’ gevestigd. Sterke wallen hadden zij er opgeworpen en den buit, op hun verwoestende strooptogten vergaderd, bragten zij er in veiligheid, om telkens weêr op nieuwe ondernemingen uit te gaan. Twaalf dagen lag het leger voor de sterkte, door de keur der Noordsche opperhoofden verdedigd. Toen werden de poorten geopend, deels, omdat, naar men zegt, een geweldig onweêr de wallen had doen instorten, deels, omdat de keizer, zijn gewone staatkunde volgend, de gevreesde overweldigers met geld en gaven had afgekocht. Met tweehonderd schepen verlieten zij de Maasoevers, maar de verwoesting der Fransche kusten en de brand van Deventer bewees, dat noch het verdrag met den keizer, noch de doop, door Godfried ontvangen, noch de vrees voor des keizers legerbenden, hun roofzucht in 't minst had beteugeld.

Naar men verhaalt, wordt nog in onzen tijd in de kerken van Elsloo en Steijn des Zondags na de hoogmis het eeuwenoude gebed uitgesproken ‘voor de rust der ziel van koning Sanderbout en zijne gemalin Sofia’. Aan dezen Sanderbout - zooals hier in den omtrek keizer Arnulfs basterdzoon Zwentibolt wordt genoemd - moeten beide dorpen hun aandeel in de uitgestrekte, thans grootendeels bebouwde Graatheide te danken hebben. Eens, zoo verhaalt de overlevering, behaagde 't Z.M., die op het kasteel te Born zijn hof hield, te verklaren, dat zooveel dorpen, als een man te paard kon rondrijden terwijl de koning aan den maaltijd zat, tot het bezit en gebruik dier destijds boschrijke heide zouden geregtigd zijn. De man moet kloek gereden hebben - bij Steijn vond hij een versch paard, een' schimmel - en koning Sanderbout moet niet kort hebben getafeld, zooals ieder zien kan, die den ruiter op de kaart nareist. Van Born reed hij over eenige kleinere plaatsen en Sittard tot Munstergeleen, vandaar tot Elsloo en voorts langs den Maasoever over Papenhoven en Holtum, om nog tijdig terug te zijn op het slot. Bij Holtum weigerde een oude vrouw, hem een hek te openen. Daarom werd deze laatste plaats ten eeuwigen dage van 't bezit der heide uitgesloten. Dit geschiedde op het einde der 9de eeuw, kort voor den dood van Zwentibold, die in het jaar 900 bij Susteren sneuvelde en in de fraaije kerk aldaar begraven werd.

Maar wat was de rit van dien man bij de reis van den vromen Wijnand van Elsloo, in de laatste jaren der 12de eeuw! Met eenige dorpsgenooten was hij ter bedevaart naar Jeruzalem gegaan. Zijn makkers aanvaardden op den heiligen Paaschdag den terugtogt. Wijnand wilde op dien dag niet reizen. Den volgenden dag maakte hij zich op. En zie, daar ontmoette hem een ruiter, die hem op het paard nam, en toen de avond daalde was hij te huis. Hun, die hem niet gelooven wilden, voorspelde hij o.a., dat op zijn graf rozen zouden bloeijen en nog moet de pastorietuin te Elsloo, waar zijn gebeente rust, met de schoonste rozen uit den ganschen omtrek prijken.

Voor ons, die slechts beschikken kunnen over de vervoermiddelen, die de natuur den mensch heeft gegeven, wordt het tijd, den terugweg naar Beek aan te nemen. De straat langs de rotsen brengt ons weêr buiten het dorp, voorbij allerlei huizen, werkplaatsen, hoeven en tuinen. Bijna zouden wij tot het vermoeden komen, dat hier niet alleen veelvuldig ooft aan de boomen wast, tot roem en voordeel van Elsloo, maar dat ook het bier er groeit. Een huis aan den weg draagt althans het opschrift: ‘de Bierboom.’ Holle wegen en zonderlinge beplante heuveltjes, hooge bouwakkers en schaduwrijke lanen, uitzigten op golvende bergen en vruchtbare velden geven afwisseling langs het pad, dat ons bij den overgang over de spoorbaan brengt. En te Beek wacht ons de overvloedige maaltijd, waarmede wij ons tot onze wandeling over de hoogten naar Valkenburg voorbereiden.

Het dorp Beek ligt op eenigen afstand van het station, maar de weg er heen is levendig genoeg, om niet lang te vallen. Er zijn vrij wat huizen langs gebouwd en de landstreek is vruchtbaar en welvarend. Boomgaarden zijn er talrijk en de bouwlanden prijken met overvloedig gewas. Alles ziet er vrolijker en opwekkender uit dan in de dorpen, die wij dezen morgen bezochten. Hoe zorgvuldig is de haag van ceders en beuken om dien tuin bij den ingang van het dorp onderhouden. Hoe helder blinken de muren dier groote hofsteden en dier nette burgerwoningen. Hoe goed voorzien schijnen die winkels. Hoe fraai zijn die heerenhuizen met hun plantsoenen en bloemperken. Wat wij hier zien is zeker niet zoo eigenaardig en veel minder schilderachtig, als wat ons Elsloo en vooral Steijn te aanschouwen gaf, maar op den duur bevredigt het ons toch meer. Behalve door landbouw en ooftteelt, bloeit Beek door een niet onbeteekenende nijverheid en een aantal deftige familiën zijn er gevestigd. De plaats, die een aantal ruime straten heeft, telt dan ook een 1200 inwoners en bezit, behalve een aanzienlijke R.C. kerk, een net bedehuis voor de Protestanten en een synagoge. En is haar voorkomen niet zoo bepaald Limburgsch, als elders doorgaans 't geval is, wij vinden er toch ook de aan de landstreek eigene groote pachthoeven, met het ruime plein in het midden. Zelfs zien wij er, met een zeer eigenaardige hangende galerij rondom den binnenhof versierd.

Prijkte het niet ver van hier gelegen Geulle nog met zijn prachtig kasteel, dan zouden wij onzen weg over dit dorp genomen hebben, al ware 't dan ook een omweg geweest. Maar nu dat edele huis, het schoonste, naar men zeide, van de Limburgsche kasteelen, sedert eenige jaren is gesloopt, kiezen wij een nader pad, dat ons vooreerst naar het gehucht Geverik leidt. Even buiten Beek treffen wij een deftig landgoed aan. Het groote geele huis met cour en stallen en een klein torentje uit het dak, ligt een weinig ter zijde van den landweg. Weldoorvoed vee graast in den glooijenden boomgaard nevens de laan, en ruime volières tegenover de poort huisvesten zeldzame hoenders en rijk gekleurde fesanten. De eigenaar, baron de Rosen, onderrigt ons, dat het huis Gillebroek heet en vergunt ons een wandeling door het fraai aangelegde park, waar een heldere waterpartij tusschen uitgestrekte grasperken blinkt en lommerrijke paden tegen de digt begroeide heuvelhellingen opklimmen.

Geverik is een groot en welvarend gehucht, dat zich nagenoeg aan de laatste huizen van Beek aansluit. Het heeft een kerkje en aanzienlijke pachthoeven, waar heden een groote bedrijvigheid heerscht. De oogst is in vollen gang. De hoog geladen wagens rijden in de poorten. De kostbare vracht wordt in de schuren geborgen. De dorschmachines en wanmolens snorren. De rook der locomobile stijgt omhoog. De boeren zijn blijkbaar in hun nopjes. Eén noodigt ons dringend, binnentekomen - zóó dringend, dat wij zeker gaarne zijn uitnoodiging zouden hebben aangenomen en van nabij die vrolijke drukte gadegeslagen, wanneer 's mans opgewondenheid niet blijkbaar een' ietwat verdachten oorsprong had gehad.

Als wij Geverik door zijn, verlaten ons voor een' tijd de groene hagen, de boomgaarden, de bosschen en lanen, de nette huizen en de groote pachthoeven. Wij beklimmen het hooge, vlakke plateau, waar onafzienbare korenvelden zich uitstrekken en enkele schaduwlooze landwegen elkander kruisen. Even boven de golvende zee van halmen verheft zich op eenigen afstand aan onze linkerzijde het torentje van Ulestraten. 't Is echter niet eenzaam op de ruime hoogvlakte. Ook hier zijn de maaijers bezig, en de zware karren met hun krachtig voorspan verlevendigen het landschap. Straks, als de oogst van het veld is gehaald, zal 't er stil en doodsch zijn en als hier de herfstwinden gieren en de regen er neerstroomt, dan moet het hier een toonbeeld van verlatenheid zijn.

Na eenigen tijd dalen wij langs een' vriendelijken hollen weg tusschen populieren en wilgen af, om allengs het gehucht Vlieck te naderen. 't Heeft minder huizen en minder inwoners dan Geverik, maar de meeste huizen liggen in een rij langs den weg en daardoor heeft het een tamelijke uitgestrektheid. Ook hier vinden wij de bewijzen van welvaart in het voorkomen der arbeiderswoningen en der hofsteden, vooral op het punt, waar de weg van Ulestraten op Meerssen den onzen ontmoet. Aan geboomte ontbreekt het er niet en de hoogten nevens ons zijn rijk en digt begroeid. Maar wat het afgelegen gehucht vooral opmerkelijk maakt, is het schoone kasteel, het Huis te Vlieck, door den Heer Magné, den broeder van den Heer van Horn, bewoond. Het groote witte huis met de daaraan verbonden oeconomie-gebouwen, die een tweetal binnenpleinen insluiten, ligt met den breeden, modernen voorgevel gekeerd naar een' prachtigen lusthof, waarlangs geruimen tijd de weg ons leidt. De achtergrond wordt gevormd door de berghellingen, met statig hout bewassen, en eene aanmerkelijke waterval stort zich naar beneden in de grootsche waterpartij van het park. Breede paden, sierlijke boomen heestergroepen, veelkleurige bloemperken omringen een groote, ompaalde weide, waar runderen en paarden van edele rassen het goede der aarde op hunne wijze genieten. Drong de tijd ons niet tot voortgaan, wij hadden gaarne den toegang tot dit bekoorlijk buitenverblijf gevraagd, wat ons, naar men verzekerde, door de heuschheid des eigenaars niet zou zijn geweigerd. Nu moeten wij ons daarvan spenen, tevreden, dat het ijzeren hek op den lagen steenen muur althans het vrije gezigt over het geheel vergunt.

Boven de toppen der boomen op den berg steekt een steenen toren uit, alsof 't de wachttoren ware van een' ridderburgt, die daar boven op de mergelrots troont, of liever nog, als een dier geheimzinnige, smalle, vensterlooze gebouwen, die in Engeland eeuwen geleden voor eene overoude eeredienst werden gebezigd. Wij behoeven er echter dergelijke romantische herinneringen niet aan te verbinden. Met de offerplegtigheden van heidensche voorvaderen, noch met den zetel van een middeleeuwsch riddergeslacht heeft dit gevaarte iets gemeen. 't Is eenvoudig een fabriekschoorsteen, daar gebouwd, om beter te ‘trekken’, thans in ruste, want de fabriek zelve is gesloopt. Eenige arbeiderswoningen, die er bij behoorden, vinden wij op de open ruimte, waarover het zijpad naar Raar zich van den weg op Meerssen afbuigt. Wij volgen het langs den rand van den berg, door een bosch- en waterrijke landstreek. Het ruime uitzigt op de blaauwe, golvende hoogten, achter elkander oprijzend in de verte, verliezen wij, maar andere schoonheden komen daarvoor in de plaats. Talrijke bronnen ontspringen in de begroeide hellingen; kleine watersprankjes blinken tusschen het malsche gras en kruisen ons pad, om zich te vereenigen met het beekje, dat nevens ons voortbruist.

In het dal liggen korenvelden en weiden, met boschjes en verspreide boomen bezaaid. Enkele roode daken wijzen in dit eenzaam oord de ver uiteengelegen woonplaatsen van menschen aan. Dennen met uitstekende en overhangende wortels klimmen tegen de heuvels op. Esschen en populieren vormen een groene laan, onder wier gewelf wij voortwandelen. 't Is een vreemd en wild landschap, dat wel den arbeid der menschenhand verraadt, maar toch den indruk geeft van niet meer - welligt nog iets minder - dan de eerste en meest onmisbare zorg aan ontginning en beheersching besteed. De natuur blijkt er mild en weelderig genoeg, maar zij schijnt hier te veel aan zich zelve overgelaten, om de vruchten te geven, die zij voortbrengen kon. Wij danken daaraan intusschen een aantal fraaije land- en boschgezigten.

Zoo komen wij in het gehucht Waterval. Van de twintig huizen, die het gehucht moet bezitten, zien wij er drie, - een pachthoeve en een paar vervallen, armoedige hutten. Van de ruim honderd inwoners die er leven, ontwaren wij er twee - een oud, stokdoof man, die ons wezenloos aanstaart en een bejaarde, in lompen gehulde vrouw, die het mag zegenen, dat zij in de 19de eeuw leeft. In de dagen der heksenprocessen zou zij den vuurdood niet zijn ontgaan. Haar welwillendheid verdient dan ook beter lot. Onder hevig geschreeuw en met de heftigste gesticulaties vergezelt zij ons door de drassige weide, over een paar vonders, - over de beek geworpen boomstammen, - en door het digte kreupelhout naar den voet der hoogte, waartegen het smalle, steile pad naar Raar opklimt. ‘Daar, daar, daar,’ gilt zij, terwijl de dreigend uitgestoken vinger het pad aanwijst en de magere, gebruinde voorarm rusteloos heen en weêr vliegt. Wie haar zóó had gezien, zou gemeend hebben, dat de bitterste haat zich in de hartstogtelijkste vervloeking lucht gaf. Toch wijst ze ons eenvoudig den weg. Hoe zou het zijn, als zij eens werkelijk in ziedende drift was ontstoken! Daar tintelt zuidelijk bloed in die dochter van Limburg! 

craandijk auteursrechtenvrij

Deel dit artikel ⇢