
Speelgoed van toen: 1920–1970
- Afbeeldingen | Bron ©: ChatGPT, Claude Chat, rawpixel.com, wikipedia, George Garrigues 1958
+ 1. Maak hier uw keuze in welke andere taal u onderstaande tekst wilt lezen of beluisteren. Nederlands is de standaardtaal; die hoeft u niet te kiezen.
Van blikken treinen tot Barbie: een nostalgische reis door vijf decennia speelplezier
Wie foto’s met spelende kinderen bekijkt uit de periode 1920 tot 1970 ziet ook een stuk sociale geschiedenis. Speelgoed vertelt veel over de tijd waarin kinderen opgroeiden: over armoede en welvaart, over techniek en industrie, maar ook over het dagelijks leven in dorpen en steden. In een halve eeuw veranderde het speelgoed ingrijpend. Tegelijk bleef één ding hetzelfde: kinderen speelden vooral buiten en gebruikten hun fantasie. Dit is de geschiedenis van vijf decennia kinderspeelgoed.
De periode 1920–1930: eenvoudig en vaak zelfgemaakt
In veel westerse landen brak na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) in de twintiger jaren een periode aan van economische groei en optimisme — ook wel de Roaring Twenties genoemd. Voor het eerst begon speelgoed een echte industrie te worden.
In de jaren twintig bestond speelgoed meestal uit eenvoudige materialen. Hout was het belangrijkste. Veel speelgoed werd thuis gemaakt door ouders of grootouders. Denk aan houten trekdieren, blokkendozen, kleine karren of hobbelpaarden.
![]()
Blikken speelgoed
Fabrikanten in Duitsland, Amerika en later ook Nederland produceerden prachtige blikken treinen, auto's, vliegtuigen en boten — vaak met de hand geschilderd en voorzien van opwindmechanismen. Dat speelgoed was technisch verrassend ingenieus, maar ook kwetsbaar. Het merk Märklin uit Duitsland was wereldberoemd om zijn modelspoorwegen, die tot op de dag van vandaag worden verzameld.
Blikken speelgoed was niet alleen mooi, maar ook relatief betaalbaar. Kinderen uit de arbeidersklasse kregen bijvoorbeeld kleine, eenvoudige blikken treintjes; kinderen uit rijkere gezinnen daarentegen konden rekenen op uitgebreide spoorbanen met stations, seinpalen en rijtuigen.
Poppen en poppenwagens
Voor meisjes waren poppen het belangrijkste speelgoed. Die waren vaak gemaakt van porselein, stof of later celluloid. Daarbij hoorden poppenwagens, poppenbedjes en kleine keukentjes. In de jaren twintig werden poppen steeds verfijnder. Bisque-porseleinen poppen met echt haar en sluitbare ogen waren de droom van elk meisje. Poppenwagens werden groter en eleganter, geïnspireerd op echte kinderwagens van die tijd. In Nederland waren merken als Bing (oorspronkelijk Duits maar wijd verspreid) populair, net als handgemaakte poppen van lokale kleermakers en naaisters.
Constructiespeelgoed
Meccano, in Engeland uitgevonden in 1898, beleefde zijn grote bloeitijd vanaf de jaren twintig. Met metalen strips, bouten en moertjes konden kinderen — vooral jongens — bruggen, kranen en machines bouwen. Het was het constructiespeelgoed bij uitstek en leerde kinderen indirect technisch denken. Tot ongeveer 1970 was Meccano wereldwijd een van de bekendste technische speelgoedmerken. Het paste goed bij de fascinatie voor techniek, industrie en mechanica die toen sterk aanwezig was. Veel scholen en technische clubs gebruikten Meccano zelfs om jongeren kennis te laten maken met techniek.
Belangrijke kenmerken van deze periode:
• veel speelgoed van hout of blik
• vaak handgemaakt of eenvoudig uitgevoerd
• rolverdeling tussen jongens- en meisjesspeelgoed
• weinig bezit: kinderen hadden meestal maar enkele stukken speelgoed
![]()
De crisisjaren van de jaren dertig
De beurskrach van 1929 en de daaropvolgende economische crisis in Europa en Amerika gooide roet in het eten. Gezinnen hadden nauwelijks geld voor luxe — en speelgoed gold als luxe en werd steeds schaarser.
Zelfgemaakt speelgoed
Veel gezinnen hadden weinig geld en moesten creatief zijn. Oude materialen werden hergebruikt. In deze jaren werd veel speelgoed thuis gemaakt. Vaders timmerden houten auto's en poppenmeubilair; moeders naaiden stoffen poppen van restmateriaal. Knikkers, tollen en springtouwen — goedkoop en tijdloos — werden opnieuw populair.
Toch waren er ook commerciële successen. LEGO werd in 1932 in Denemarken opgericht, aanvankelijk als fabriek van houten speelgoed. De naam LEGO is een samentrekking van het Deense "leg godt" — speel goed. De plastic steentjes zouden pas later komen.
Mickey Mouse
Walt Disney lanceerde Mickey Mouse in 1928, en in de jaren dertig volgde een ware merchandiselawine. Mickey Mouse-speelgoed, -boeken en -kostuums werden wereldwijd verkocht. Het was het begin van wat we nu licentiespeelgoed noemen: speelgoed gebaseerd op populaire figuren uit film en strips.
Boardgames als gezinsactiviteit
Met weinig geld voor uitstapjes lag de nadruk voor ontspanning op verblijf in de eigen huiskamer. Bordspellen zoals Monopoly (1935) werden enorme hits. Het spel, bedoeld als kritiek op het kapitalisme, werd ironisch genoeg een van de bestverkochte spellen aller tijden. In Nederland waren ook spellen als Mens-erger-je-niet en Ganzenbord immens populair.
Buiten spelen was vanzelfsprekend. Straten en pleinen waren de belangrijkste speelplaatsen. Auto’s waren er nauwelijks, waardoor kinderen veel ruimte hadden en relatief veilig op straat konden spelen.
Populaire buitenspellen waren onder meer:
- Knikkeren. knikkers – vaak van glas of klei – waren misschien wel het populairste kinderspel. Kinderen maakten kleine kuiltjes in het zand en probeerden met hun knikker die van een ander weg te schieten.
- Tollen: met een houten tol en een touwtje lieten kinderen de tol zo lang mogelijk draaien.
- Hoepelen: met een metalen of houten hoepel die met een stok werd voortgeduwd renden kinderen door de straat.
- Touwtje springen: vooral meisjes speelden dit spel, vaak met liedjes en vaste ritmes.
- Verstoppertje: een tijdloos spel waarbij één speler moest zoeken waar de anderen zich verstopt hadden.
![]()
De jaren 1940–1945: spelen in oorlogstijd
De Tweede Wereldoorlog (1940–1945) trof Nederland en grote delen van Europa hard. Fabrieken produceerden nauwelijks speelgoed en materialen waren moeilijk te krijgen. Speelgoed was een bijna vergeten luxe.
Tijdens de bezetting was er nauwelijks nieuw speelgoed te koop. Kinderen speelden met wat er was: oude ballen, zelfgemaakte poppen, stenen en stokken. Toch waren er ook creatieve oplossingen: timmerlieden en handige vaders maakten eenvoudig houten speelgoed dat buiten de winkels om werd verkocht of geruild. Veel speelgoed werd gerepareerd en opnieuw gebruikt.
Bijzonder is dat juist in deze periode houten speelgoed een wedergeboorte beleefde — niet uit nostalgie, maar uit noodzaak. Metaal was bestemd voor tanks en wapens, niet voor speelgoedtreinen.
Opvallend is dat juist in deze moeilijke jaren het buitenspelen belangrijk bleef. Het bood afleiding in een periode van onzekerheid.
Belangrijke kenmerken van deze tijd:
• grote schaarste aan nieuw speelgoed
• veel improvisatie en zelfgemaakte spullen
• veel buitenspelen
![]()
De jaren vijftig: wederopbouw en groei
Na de oorlog veranderde de situatie snel. De economie groeide en gezinnen kregen langzaam meer te besteden. Fabrieken gingen weer speelgoed produceren en het assortiment werd groter.
Miniatuurauto’s van metaal werden populair. Merken zoals Dinky Toys maakten gedetailleerde modelauto’s die voor veel jongens een droom waren. Ook bouwdozen bleven onverminderd populair.
De plastic revolutie
De jaren vijftig zijn misschien wel het meest iconische tijdperk in de geschiedenis van kinderspeelgoed. De naoorlogse babyboom zorgde voor miljoenen nieuwe kinderen, de economie trok aan, en plastic — goedkoop, lichtgewicht en in alle kleuren produceerbaar — veranderde de speelgoedindustrie voorgoed.
Kunststof maakte het mogelijk om speelgoed op grote schaal te produceren voor een fractie van de kosten. Plotseling waren er plastic soldaatjes, plastic dieren, plastic auto's — allemaal hel gekleurd en betaalbaar voor bijna elk gezin. De kwaliteit was soms twijfelachtig, maar de kwantiteit was ongekend.
LEGO maakte in 1958 de stap naar plastic steentjes met die karakteristieke noppen bovenop, die tot op heden onveranderd is gebleven. Een mijlpaal in de speelgoedgeschiedenis.
Poppen worden professioneel
In de jaren vijftig werden poppen steeds geavanceerder. Poppen die konden huilen, ogen sluiten en zelfs een flesje leegdrinken — en dat netjes teruggeven aan de andere kant — werden populair. De Tiny Tears pop (1950) was zo'n succes: een pop die echte tranen kon huilen en water kon drinken.
Modelspoorwegen bereiken hun hoogtepunt
De naoorlogse welvaart deed gezinnen investeren in hobby's. Modelspoorwegen waren niet alleen kinderspeelgoed — vaders bouwden er complete landschappen omheen, met tunnels, dorpjes en seinhuisjes. Merken als Märklin, Fleischmann en het Nederlandse Lima hadden een grote aanhang. Een volledige modelspoorwegopstelling onder de kerstboom was voor veel gezinnen het ultieme cadeau.
Kenmerken van de jaren vijftig:
• meer industrieel geproduceerd speelgoed
• metalen miniaturen en mechanisch speelgoed
• speelgoed dat techniek en constructie stimuleerde
• speelgoed werd vaker cadeau gegeven bij feestdagen
De jaren zestig: Barbie, ruimtevaart en tegencultuur
De jaren zestig waren een tijdperk van verandering. De Koude Oorlog, de ruimterace, de beatgeneratie, hippies en de opkomende consumentencultuur — het allemaal beïnvloedde het speelgoed van die tijd op unieke wijze.
Barbie: Een revolutie in poppen
In 1959 introduceerde fabrikant Mattel een pop die de wereld zou veranderen: Barbie. Barbie was de eerste pop die geen baby of klein kind was, maar een volwassen vrouw met een eigen identiteit, carrière en garderobe. Meisjes konden voor het eerst met een pop spelen die aspiraties had. Barbie had allerlei beroepen: ze was piloot, verpleegster, astronaut en modeontwerper. Dat was bijzonder voor die tijd. De pop werd heel bekend en zorgde voor veel gesprekken over hoe meisjes en jongens opgroeien en wat van hen verwacht wordt.
In 1961 volgde Ken, Barbies vriend, en later kwamen er honderden accessoires: het droomhuis, de auto, de camper. Barbie was niet alleen een pop — het was een heel universum.
![]()
De ruimterace en futuristisch speelgoed
Na de lancering van de kunstmaan Spoetnik door de Sovjet-Unie in 1957 en de lancering van de eerste mensen de ruimte in, raakten kinderen gefascineerd door astronauten en raketten. Speelgoedfabrikanten sprongen in op de ruimtekoorts: plastic ruimteschepen, astronautenpakjes, speelgoedraketten en 'ruimtepistolen' vulden de winkels.
G.I. Joe en de actiefiguur
In 1964 kwam G.I. Joe — een 30 centimeter grote actiefiguur voor jongens op de markt. Het was een revolutie: voor het eerst was er een 'pop' die uitdrukkelijk voor jongens was bedoeld. Met verwisselbare kleding, wapens en voertuigen was G.I. Joe de mannelijke tegenhanger van Barbie. In Nederland werd G.I. Joe minder populair dan in Amerika, maar de trend van actiefiguren vond wel ingang via andere merken en Europese varianten.
Twister en sociale spellen
In 1966 werd Twister gelanceerd; een spel waarbij spelers hun handen en voeten op gekleurde cirkels moeten plaatsen zonder om te vallen.
Hot Wheels: Schaalmodellen met pit
In 1968 introduceerde Mattel "Hot Wheels" — schaalmodellen van auto's die sneller reden dan welk ander speelgoedautootje ook, dankzij lichte wielen en soepele assen. De kleine raceauto's werden een instant hit bij jongens. Ze pasten in een jaszak, waren betaalbaar en konden op speciale banen worden gereden. Tot op de dag van vandaag worden Hot Wheels geproduceerd en verzameld.
Speelgoed uit deze periode:
- Barbie, Ken en aanverwante poppen
- plastic soldaatjes
- robots en ruimtevaartfiguren
- poppenhuizen met moderne meubels
- racebanen en elektrische treinen
Kenmerken van de jaren zestig:
• massaproductie van kunststof speelgoed
• grotere invloed van televisie en populaire cultuur
• meer variatie en grotere beschikbaarheid
De jaren zeventig: creatief bouwen en fantasiewerelden
In de jaren zeventig verschoof de nadruk van speelgoed steeds meer naar creativiteit en fantasie. Bouwsystemen werden populair, waarbij kinderen hun eigen werelden konden maken. Bouwstenen zoals Lego maakten het mogelijk om huizen, voertuigen en complete steden te bouwen. Ook speelfiguren en miniatuurwerelden werden populair.
Daarnaast groeide de populariteit van gezelschapsspellen. Families speelden samen bordspellen aan de keukentafel.
Kenmerken van de jaren zeventig:
• speelgoed dat creativiteit stimuleert
• bouwsystemen en speelfiguren
• meer aandacht voor educatief spelen
• gezelschapsspellen voor het hele gezin
![]()
Buiten spelen: het sociale hart van het spel
Tot ver in de jaren zestig speelde het grootste deel van het kinderleven zich buiten af. Kinderen troffen elkaar op straat, op het plein of op een veldje. Spel werd vaak spontaan georganiseerd en regels werden mondeling doorgegeven.
Bekende straatspellen waren:
- Tikkertje: een speler probeert de anderen aan te tikken.
- Hinkelen: met krijt werden vakken op de straat getekend waar kinderen hinkend doorheen gingen.
- Blikje trap: een combinatie van verstoppertje en rennen, waarbij een blikje werd weggetrapt.
- Touwtje springen: vaak gespeeld met meerdere kinderen tegelijk.
- Stelten lopen: met houten stelten probeerden kinderen zo hoog mogelijk te lopen.
Deze spellen hadden een aantal duidelijke kenmerken:
• ze vereisten weinig of geen materiaal
• ze werden buiten gespeeld
• ze werden door kinderen zelf georganiseerd
• regels konden per straat of dorp verschillen
Speelgoed als spiegel van de samenleving
Vijftig jaar speelgoed laat een duidelijk patroon zien. In tijden van crisis en oorlog verschraalt het speelgoed — maar verdwijnt het nooit. Creativiteit en improvisatie nemen het over. In tijden van welvaart explodeert de industrie en worden kinderen overspoeld met prikkels en producten.
De strikte genderverdeling valt op: meisjes speelden met poppen en keukentjes, jongens met treinen en soldaatjes. Pas aan het einde van de jaren zestig begon dit langzaam te kantelen — mede dankzij de vrouwenbeweging.
Van ambacht naar industrie
In 1920 was veel speelgoed nog ambachtelijk vervaardigd — door lokale timmerlieden, naaisters en kleine fabrieken. In 1970 domineerden grote multinationals als Mattel, Hasbro en LEGO de markt. Speelgoed was een industrie geworden, met reclame, licenties en massaproductie.
De rol van televisie
Met de opkomst van televisie in de jaren vijftig en zestig veranderde de marketing van speelgoed drastisch. Speelgoedadvertenties werden rechtstreeks op kinderen gericht — voor het eerst in de geschiedenis konden kinderen hun ouders onder druk zetten voor bepaalde producten. Dit zorgde voor nieuwe discussies over het toenemende kopen van spullen en over het feit dat de wereld van kinderen steeds meer door reclame en commercie werd beïnvloed.
Waarom dit speelgoed nog steeds fascineert
Speelgoed uit de periode 1920–1970 is tegenwoordig zeer gewild bij verzamelaars. Een originele Barbie uit 1959 in goede staat kan duizenden euro's opbrengen. Blikken speelgoed uit de jaren twintig — zeker van gerenommeerde fabrikanten — wordt als kunst beschouwd.
Maar de aantrekkingskracht gaat verder dan geld. Speelgoed roept herinneringen op. Voor mensen die opgroeiden in deze decennia, is een oud speelgoedautootje of een versleten pop een directe verbinding met hun jeugd — met de geur van de woonkamer, de stem van hun moeder, de smaak van limonade op een zomermiddag.
En voor jongere generaties biedt dit speelgoed een venster op een andere wereld: een tijd zonder schermen, zonder apps, zonder algoritmes. Een tijd waarin verbeelding het belangrijkste speelgoed was.
Conclusie: Vijftig jaar spelen
Van blikken treinen tot Barbie, van houten tollen tot Hot Wheels — de periode 1920 tot 1970 is een gouden tijdperk in de speelgoedgeschiedenis. Het waren vijftig jaar van armoede en overvloed, van oorlog en vrede, van tradities en revoluties.
Maar door al die veranderingen heen bleef één ding constant: kinderen wilden spelen. Ze wilden dromen, bouwen, verzorgen, racen en ontdekken. Speelgoed was — en is — het gereedschap waarmee kinderen de wereld leren begrijpen.
En misschien is dat wel de mooiste les die deze nostalgische reis ons leert: goed speelgoed heeft geen batterijen nodig. Het heeft alleen een kind nodig met een verbeelding.

